Kort antwoord
Een Belgische vennootschap is in beginsel zelf aansprakelijk voor haar schulden. Een bestuurder wordt dus niet persoonlijk schuldenaar omdat een beslissing verlies veroorzaakt, een onderneming insolvent wordt of een belastingfactuur onbetaald blijft. Persoonlijke aansprakelijkheid vergt een eigen rechtsgrond.
Voor formele en feitelijke bestuurders zijn de belangrijkste gronden een fout in hun opdracht, een buitencontractuele fout tegenover derden, overtreding van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of de statuten, een kennelijk grove fout die bijdroeg aan een faillissement, en voortzetting terwijl kennelijk geen redelijk vooruitzicht meer bestond om de onderneming of haar activiteiten te behouden en een faillissement te vermijden. Bij collectieve beslissingen kan hoofdelijke aansprakelijkheid ontstaan. Wettelijke aansprakelijkheidsplafonds bestaan, maar gelden onder meer niet bij bedrog, grove of gewoonlijk voorkomende lichte fout en bepaalde fiscale en socialezekerheidsschulden.
Aandeelhouderschap, zeggenschap of advies geven volstaat niet. Een aandeelhouder of adviseur kan wel aansprakelijk worden door een eigen fout of garantie, een onrechtmatige uitkering, oprichtersaansprakelijkheid of doordat hij feitelijk de bestuursmacht uitoefent. Nabij insolventie moet het bestuur tijdig continuïteits- en liquiditeitsmaatregelen nemen, de alarmbelprocedure toepassen en zo nodig binnen de wettelijke termijn aangifte van faillissement doen. Een zorgvuldig gedocumenteerd reddingsplan kan verantwoord zijn; jarenlang niets doen zonder boekhouding, plan of naleving niet.
De vennootschap blijft het vertrekpunt
Volgens het handelt een rechtspersoon door zijn organen. Bestuurders verbinden normaal de vennootschap, niet zichzelf. Ook aandeelhouders zijn niet enkel wegens hun aandelen persoonlijk gehouden voor vennootschapsschulden.
Dat beschermt niet tegen aansprakelijkheid voor een eigen fout, borgstelling of fraude. Evenmin kan iemand achter de titel “adviseur” schuilen wanneer hij in werkelijkheid de onderneming bestuurt.
Formele en feitelijke bestuurders: artikel 2:56 WVV
Iedere bestuurder en dagelijkse bestuurder moet zijn opdracht behoorlijk vervullen. Artikel 2:56 geldt ook voor alle andere personen die ten aanzien van de rechtspersoon werkelijke bestuursbevoegdheid hebben gehad. Zij kunnen tegenover de vennootschap aansprakelijk zijn voor fouten in hun opdracht en tegenover derden voor buitencontractuele fouten.
De rechter beoordeelt een ondernemingsbeslissing niet met loutere wijsheid achteraf. Voor beslissingen waarover normaal voorzichtige en zorgvuldige bestuurders redelijk van mening kunnen verschillen, geldt een beoordelingsmarge:
“Zij zijn slechts aansprakelijk voor beslissingen, daden of gedragingen die zich kennelijk buiten de marge bevinden waarbinnen normaal voorzichtige en zorgvuldige bestuurders, geplaatst in dezelfde omstandigheden, redelijkerwijze van mening kunnen verschillen.”
—
Die marge dekt geen ongeïnformeerde besluitvorming, belangenconflicten, boekhoudkundige nalatigheid of overtreding van dwingend recht. Informatie, onderzochte alternatieven en de toenmalige motivering moeten uit het dossier blijken.
Bij een collegiaal bestuur zijn de leden hoofdelijk aansprakelijk voor fouten in een gezamenlijke beslissing of nalatigheid. Bij een schending van het WVV of de statuten geldt eveneens hoofdelijkheid, ook als niet alle bestuurders aan de overtreding deelnamen. Een bestuurder ontsnapt alleen onder de wettelijke voorwaarden: hij nam niet deel aan de fout en meldde haar aan de andere bestuurders of het bevoegde orgaan. Die melding en bespreking moeten in de notulen staan. Alleen tegenstemmen zonder dossier is daarom riskant.
Een rechtspersoon-bestuurder moet een vaste vertegenwoordiger aanwijzen. Die persoon draagt samen met hem dezelfde burgerlijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid.
Plafonds bestaan, maar de uitzonderingen zijn belangrijk
Artikel 2:57 beperkt bepaalde bestuurdersaansprakelijkheid per feit of samenhangend feitencomplex. Afhankelijk van omvang en statuut lopen de huidige bedragen van 125.000 tot 12 miljoen euro. Het plafond geldt gezamenlijk, niet per bestuurder, en garandeert geen verzekeringsdekking.
De plafonds gelden niet bij bedrieglijk opzet, oogmerk om te schaden, grove fout of gewoonlijk voorkomende lichte fout. Ook bepaalde aandelenverplichtingen, fiscale hoofdelijke aansprakelijkheden en artikel XX.226 vallen erbuiten. De vennootschap mag een bestuurder niet vooraf ruimer vrijwaren dan de wet toestaat; polisuitsluitingen blijven afzonderlijk relevant.
Uitkeringen en oprichters: wanneer aandeelhouders worden geraakt
In een besloten vennootschap vereist een uitkering zowel een nettoactieftest door de algemene vergadering als een liquiditeitstest door het bestuur. Het bestuur moet op basis van redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen vaststellen dat de vennootschap gedurende minstens twaalf maanden haar opeisbare schulden kan blijven betalen en die beslissing in een bijzonder verslag verantwoorden.
“Het besluit van de algemene vergadering tot uitkering heeft slechts uitwerking nadat het bestuursorgaan heeft vastgesteld dat de vennootschap [...] in staat zal blijven haar schulden te voldoen naarmate deze opeisbaar worden over een periode van ten minste twaalf maanden.”
—
Bestuurders die wisten of, gelet op de omstandigheden, behoorden te weten dat de vennootschap kennelijk niet zou kunnen betalen, kunnen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De vennootschap kan een uitkering die in strijd met de regels is ontvangen terugvorderen van aandeelhouders en andere begunstigden, ongeacht hun goede of kwade trouw. Ontvangen geld is dus niet altijd definitief beschermd.
Oprichters van een BV kunnen daarnaast in de door de rechter bepaalde verhouding voor vennootschapsverbintenissen instaan wanneer binnen drie jaar na verkrijging van rechtspersoonlijkheid een faillissement volgt en het aanvangsvermogen bij oprichting kennelijk onvoldoende was voor de normale uitoefening van de voorgenomen activiteit gedurende minstens twee jaar. Het financieel plan is daarbij centraal bewijs. Dit is oprichtersaansprakelijkheid, geen algemene aansprakelijkheid van iedere latere aandeelhouder.
Een aandeelhouder, moedervennootschap of adviseur wordt pas feitelijk bestuurder wanneer hij daadwerkelijk bestuursmacht uitoefent. Invloed, stemrecht of advies is niet hetzelfde als leiding. Een eigen fout, garantie of misbruik kan wel een andere grond opleveren.
Belastingen en sociale bijdragen zijn afzonderlijke risico's
Onbetaalde belasting maakt niet iedere bestuurder persoonlijk aansprakelijk. Bijzondere fiscale regels kunnen formele of feitelijke dagelijkse bestuurders wel hoofdelijk raken wanneer hun fout bijdroeg aan niet-betaling van onder meer bedrijfsvoorheffing of btw. Belasting, periode, functie en redenen moeten afzonderlijk worden onderzocht.
Artikel XX.226 van het Wetboek van economisch recht bevat daarnaast een eigen regeling voor onbetaalde socialezekerheidsbijdragen. De RSZ of curator kan onder de wettelijke voorwaarden bestuurders en feitelijke machthebbers hoofdelijk aanspreken, onder meer bij betrokkenheid bij herhaalde faillissementen of vereffeningen met sociale schulden in de voorafgaande vijf jaar. Het WVV-plafond is hier niet van toepassing.
Structureel belastingen en bijdragen opstapelen is geen neutrale financieringskeuze. Het bestuur moet betalingsbeslissingen en het herstelpad kunnen verklaren.
Nabij insolventie: continuïteit, alarmbel en aangifte
Wanneer gewichtige en overeenstemmende feiten de continuïteit bedreigen, moet het bestuur beraadslagen over maatregelen om de economische activiteit minstens twaalf maanden te vrijwaren. Voor een BV moet het bovendien binnen twee maanden de algemene vergadering bijeenroepen wanneer het nettoactief negatief dreigt te worden of wanneer het niet langer zeker is dat de vennootschap haar schulden gedurende minstens twaalf maanden kan voldoen. Zonder oproeping wordt de schade van derden behoudens tegenbewijs vermoed uit die nalatigheid voort te vloeien.
Volgens artikel XX.102 WER moet een schuldenaar in beginsel binnen één maand na staking van betaling aangifte van faillissement doen. Een verzoek tot gerechtelijke reorganisatie schort die verplichting tijdens de toegekende opschorting op. Eén gemiste factuur is niet automatisch een faillissementstoestand.
Na faillissement en bij ontoereikend actief kan artikel XX.225 formele, voormalige en feitelijke bestuurders voor alle of een deel van het tekort aanspreken wanneer een kennelijk grove fout tot het faillissement heeft bijgedragen. Ernstige fiscale fraude geldt wettelijk als zo'n fout. Voor de kleinste ondernemingen bevat dit artikel een afgebakende uitzondering, maar die uitzondering mag niet worden verward met algemene immuniteit voor kleine bestuurders.
Wrongful trading volgens artikel XX.227
De curator heeft exclusief de vordering wegens voortzetting zonder redelijk vooruitzicht. Drie voorwaarden moeten samen vervuld zijn:
De betrokkene “wist of behoorde te weten dat er kennelijk geen redelijk vooruitzicht bestond om de onderneming of haar activiteiten te behouden en een faillissement te vermijden”, had toen een formele of feitelijke bestuursfunctie en handelde niet zoals een normaal voorzichtige en zorgvuldige bestuurder in dezelfde omstandigheden.
—
In een vonnis van 6 mei 2025 hoefde de ondernemingsrechtbank Gent geen mathematisch exact omslagpunt vast te leggen. Zij keek naar de periode waarin de verweten handelingen en nalatigheden plaatsvonden. Bestuurders mogen proberen een onderneming te redden en daarbij verantwoorde risico's nemen, maar jarenlang doorgaan zonder behoorlijke boekhouding, jaarrekeningen of geloofwaardig plan en met verwaarlozing van fiscale en sociale verplichtingen voldeed niet aan de zorgvuldigheidsnorm.
“Niets doen” kan niet worden gelijkgesteld met een poging van een normaal voorzichtig en zorgvuldig bestuurder om het tij te keren.
—
Dit feitengebonden vonnis is geen bindende cassatieregel. Het toont wel het belang van actuele cijfers, scenario's en uitgevoerde maatregelen.
Adviseurs en aansprakelijkheid sinds Boek 6
Een professional garandeert geen succesvol bedrijfsresultaat. Aansprakelijkheid vergt een contractuele of buitencontractuele fout, schade en causaal verband, mede beoordeeld aan professionele normen.
Sinds 1 januari 2025 kunnen volgens buitencontractuele regels ook gelden tussen contractspartijen en tegenover een hulppersoon van de medecontractant. De verweermiddelen van artikel 6.3 en de vereisten van fout, schade en causaliteit blijven gelden.
Wie betalingen beslist, personeel aanstuurt of zelfstandig de leiding voert, kan als feitelijke bestuurder onder artikelen 2:56, XX.225 of XX.227 vallen. Werkelijke macht, niet de titel, beslist.
Praktische checklist voor het bestuur
- Houd liquiditeitsprognoses, vervaldagen en fiscale en sociale achterstanden bij.
- Leg informatie, alternatieven, tegenstemmen en belangenconflicten in notulen vast.
- Pas nettoactief-, liquiditeits- en alarmbeltests tijdig toe.
- Geef reddingsplannen financiering, mijlpalen, verantwoordelijken en stopcriteria.
- Controleer de faillissements- en aangiftetermijn naast reorganisatieopties.
- Breng ook feitelijke beslissers buiten het formele bestuur in kaart.
- Toets uitkeringen en selectieve betalingen vooraf.
- Controleer D&O-dekking en uitsluitingen.
Conclusie
Belgische persoonlijke aansprakelijkheid volgt uit gedrag en wettelijke voorwaarden, niet uit een slecht bedrijfsresultaat alleen. Bestuurders behouden ruimte voor onderbouwde ondernemingsbeslissingen en echte reddingspogingen. Het risico stijgt zodra informatie ontbreekt, regels worden overtreden, continuïteitswaarschuwingen worden genegeerd of een onderneming zonder redelijk herstelpad wordt voortgezet. Aandeelhouders en adviseurs blijven normaal buiten schot, tenzij hun eigen fout, uitkering, garantie, oprichtersrol of werkelijke bestuursmacht een afzonderlijke rechtsgrond creëert.
Bronnen
This article provides general legal information, not advice for a specific matter. Laws, facts and procedural deadlines may change the result. Follow the linked primary sources and obtain local advice before acting.