Kort antwoord
Het Belgische Grondwettelijk Hof kan een federale wet, een gemeenschaps- of gewestdecreet of een Brusselse ordonnantie geheel of gedeeltelijk vernietigen wanneer die wetskrachtige norm een bevoegdheidsverdelende regel, een beschermd grondrecht binnen zijn toetsingsbevoegdheid of het beginsel van federale loyauteit schendt. Daaronder vallen de gelijkheid en niet-discriminatie van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, alle rechten van titel II en de artikelen 170, 172 en 191. Het Hof toetst geen koninklijke besluiten, regeringsbesluiten of individuele bestuurshandelingen; daarvoor zijn andere rechters bevoegd.
Een bevoegde regering, een natuurlijke of rechtspersoon met een persoonlijk belang, of onder voorwaarden een voorzitter van een wetgevende vergadering kan een beroep tot vernietiging instellen. De gewone termijn is zes maanden na bekendmaking van de norm. Het beroep schorst de norm niet automatisch. Schorsing is een uitzonderlijke voorlopige maatregel. Gewoonlijk moeten de aangevoerde middelen ernstig zijn én moet onmiddellijke toepassing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen veroorzaken. Een tweede wettelijke grond bestaat voor een nieuwe norm die identiek of soortgelijk is aan een norm die het Hof al vernietigde en die door dezelfde wetgever is aangenomen. De schorsingsvordering kent in beginsel een termijn van drie maanden. Een prejudiciële vraag kan eveneens tot een vaststelling van ongrondwettigheid leiden, maar is procedureel geen vernietigingsberoep.
Welke normen kan het Hof toetsen?
Het heeft een gespecialiseerde bevoegdheid. Het toetst normen met kracht van wet: federale wetten, decreten van gemeenschappen en gewesten en regels bedoeld in artikel 134 van de Grondwet, waaronder Brusselse ordonnanties. Zowel een volledige norm als afzonderlijke bepalingen kunnen worden bestreden.
Het Hof is geen algemene hoogste rechter voor iedere overheidshandeling. Koninklijke besluiten, besluiten van gemeenschaps- of gewestregeringen, ministeriële besluiten, gemeentelijke reglementen en individuele beslissingen zijn geen wetskrachtige normen. Hun wettigheid kan, afhankelijk van de handeling en het geschil, door de Raad van State of door gewone en administratieve rechtscolleges worden gecontroleerd.
“Er bestaat voor geheel België een Grondwettelijk Hof.”
—
De aard van de bestreden tekst is dus de eerste ontvankelijkheidsvraag. Het Hof toetst een wetskrachtige norm bovendien alleen aan de referentienormen die de Grondwet en de bijzondere wet aan zijn toezicht onderwerpen.
Aan welke regels toetst het Hof?
De noemt drie hoofdcategorieën.
Ten eerste controleert het Hof de regels die de onderscheiden bevoegdheid van de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten bepalen. Die regels staan in de Grondwet en in bijzondere meerderheidswetten. Een wetgever kan dus een legitiem beleidsdoel nastreven en toch onbevoegd zijn om de gekozen norm vast te stellen.
Ten tweede toetst het Hof aan de grondrechten van titel II van de Grondwet en aan de artikelen 170, 172 en 191. Titel II bevat onder meer gelijkheid en niet-discriminatie, persoonlijke vrijheid, eerbiediging van het privéleven, vrijheid van eredienst en meningsuiting, onderwijsrechten, eigendomsbescherming en economische, sociale en culturele rechten. Artikel 170 betreft het legaliteitsbeginsel in belastingzaken, artikel 172 fiscale gelijkheid en artikel 191 de bescherming van vreemdelingen.
Ten derde toetst het Hof aan artikel 143, § 1, over federale loyauteit. Dat beginsel verhindert dat een bevoegde wetgever het federale evenwicht verstoort door de bevoegdheidsuitoefening van een andere entiteit onmogelijk of overdreven moeilijk te maken.
“Indien het beroep gegrond is, vernietigt het Grondwettelijk Hof geheel of ten dele”
—
Gelijkheid, niet-discriminatie en andere grondrechten
De artikelen 10 en 11 van de Grondwet vereisen niet dat elke persoon altijd identiek wordt behandeld. Het Hof onderzoekt of categorieën die voldoende vergelijkbaar zijn verschillend worden behandeld, of wezenlijk verschillende situaties zonder verantwoording gelijk worden behandeld. Een onderscheid moet op een objectief criterium steunen en redelijk verantwoord zijn. Het nagestreefde doel, de gevolgen van de maatregel en de evenredigheid tussen middel en doel spelen een centrale rol.
De verzoeker moet het verschil en de betrokken categorieën precies aanwijzen. Een algemene bewering dat een regeling “oneerlijk” is, volstaat niet. Het Hof laat de wetgever beleidsruimte, maar vereist een redelijke en evenredige verantwoording.
Andere grondrechten worden vaak samen gelezen met de artikelen 10 en 11 of met internationale en Europese rechten. Het Hof past een verdragsbepaling niet als losstaande vernietigingsgrond toe wanneer die buiten zijn eigen referentienormen valt. Zij kan wel helpen om de draagwijdte van een grondwettelijk recht te bepalen of in samenhang met een bevoegdheidsnorm te worden onderzocht. De middelen moeten daarom juridisch correct aangeven welke grondwetsbepaling is geschonden en hoe een aangehaalde verdragsnorm daarmee verband houdt.
Wie kan een vernietigingsberoep instellen?
Artikel 2 van de bijzondere wet noemt drie groepen. De Ministerraad en de regeringen van gemeenschappen en gewesten kunnen beroep instellen. Ook een natuurlijke of rechtspersoon kan dat wanneer die doet blijken van een belang. Ten slotte kan de voorzitter van een wetgevende vergadering optreden op verzoek van twee derde van haar leden.
Voor een private verzoeker vereist “belang” dat de bestreden norm hem persoonlijk, rechtstreeks en ongunstig kan raken. Een louter algemeen belang bij correcte wetgeving is normaal niet voldoende. Verenigingen kunnen onder voorwaarden opkomen voor hun statutair omschreven collectief doel. Het belang moet zowel bij het instellen van het beroep als tijdens de procedure relevant blijven.
Het verzoekschrift moet de bestreden bepalingen, de toetsingsnormen en de concrete grief uiteenzetten. De gewone beroepstermijn bedraagt zes maanden vanaf de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. Er bestaan bijzondere termijnen en mechanismen voor bepaalde normen en situaties. Omdat een gemiste termijn in beginsel niet kan worden hersteld, moet de publicatiedatum onmiddellijk worden gecontroleerd.
Wanneer is schorsing mogelijk?
Een vernietigingsberoep heeft geen automatische schorsende werking. De norm blijft gelden zolang het Hof haar niet schorst of vernietigt. Schorsing voorkomt dat de onmiddellijke toepassing intussen een ernstig nadeel veroorzaakt dat een latere vernietiging niet meer nuttig kan herstellen.
Artikel 20 van de bijzondere wet bevat twee gronden. De gewone grond stelt cumulatieve voorwaarden: de middelen moeten ernstig zijn en onmiddellijke uitvoering moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen. “Ernstig” betekent in dit voorlopige stadium dat het middel niet oppervlakkig is en na eerste onderzoek een reële kans op gegrondheid vertoont. Voor het nadeel moet de verzoeker concrete en precieze feiten geven. Hij moet het risico, de ernst, de moeilijk herstelbare aard en het oorzakelijk verband met de bestreden norm aantonen.
“de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn”
—
De tweede grond betreft een norm die identiek of gelijkaardig is aan een reeds vernietigde norm en door dezelfde wetgever werd aangenomen. Daarmee kan worden voorkomen dat een wetgever de werking van een vernietigingsarrest eenvoudig neutraliseert door vrijwel dezelfde regel opnieuw vast te stellen.
De vordering wordt samen met het vernietigingsberoep of in een afzonderlijke akte ingediend. In beginsel geldt voor schorsing een termijn van drie maanden na bekendmaking. Het Hof onderzoekt ook bij schorsing de ontvankelijkheid, waaronder het belang en de tijdigheid. Een schorsingsarrest is voorlopig en heeft algemeen gezag totdat het Hof ten gronde beslist of de wettelijk bepaalde werking eindigt.
In paste het Hof de schorsingsprocedure toe op wetswijzigingen over internationale bescherming en materiële opvang. Die zaak illustreert dat abstracte grondrechtenargumenten alleen niet volstaan: de situatie van de verzoekers, de onmiddellijke gevolgen en hun persoonlijk belang worden afzonderlijk onderzocht.
Vernietiging, gevolgenhandhaving en prejudiciële vragen
Wanneer een beroep gegrond is, vernietigt het Hof de norm geheel of gedeeltelijk. Een vernietigingsarrest heeft vanaf publicatie in het Belgisch Staatsblad absoluut gezag van gewijsde. Vernietiging werkt in beginsel retroactief: de bepaling wordt geacht uit de rechtsorde te verdwijnen. Om rechtsonzekerheid of onevenredige gevolgen te vermijden, kan het Hof bepaalde gevolgen van de vernietigde norm definitief of tijdelijk handhaven.
Wie een vernietiging verkrijgt, mag dus niet aannemen dat iedere vroegere toepassing automatisch ongedaan is. Het dictum kan gevolgen handhaven; bijzondere regels kunnen rechtsmiddelen tegen eerdere beslissingen heropenen.
Naast het rechtstreekse beroep bestaat de prejudiciële procedure. Wanneer in een lopend geschil een relevante vraag rijst over de verenigbaarheid van een wetskrachtige norm met een bevoegdheidsregel of een beschermde grondwetsbepaling, moet of kan het rechtscollege die vraag onder de wettelijke voorwaarden aan het Hof stellen. Het antwoord bindt de verwijzende rechter voor de oplossing van het geschil.
“moeten [...] zich voegen naar het arrest van het Grondwettelijk Hof”
—
Een prejudicieel arrest dat een schending vaststelt, vernietigt de norm niet zelf. Het kan wel nieuwe beroepstermijnen openen en verhindert in de concrete zaak toepassing op een wijze die met het antwoord strijdt. Het onderscheid tussen vernietiging, schorsing en een prejudiciële vaststelling moet daarom steeds expliciet worden gemaakt.
Praktische controlelijst
- Is de bestreden regel een wet, decreet of ordonnantie, of slechts een uitvoerings- of individuele handeling?
- Welke exacte bepaling veroorzaakt het nadeel?
- Gaat de grief over bevoegdheidsverdeling, titel II, de artikelen 170, 172 of 191, of federale loyauteit?
- Kan de verzoeker een persoonlijk, rechtstreeks en ongunstig belang aantonen?
- Wanneer verscheen de norm in het Belgisch Staatsblad en welke termijn geldt?
- Is onmiddellijke schorsing nodig, en zijn het ernstige middel en het moeilijk te herstellen ernstig nadeel met bewijs onderbouwd?
- Loopt al een procedure waarin een prejudiciële vraag geschikter is?
- Welke gevolgen vraagt de verzoeker te vernietigen, en is gevolgenhandhaving te verwachten?
Conclusie
Het Grondwettelijk Hof kan wetskrachtige Belgische normen vernietigen wegens schending van bevoegdheidsregels, federale loyauteit en de grondrechten die onder zijn toezicht vallen, waaronder gelijkheid en niet-discriminatie. Ontvankelijkheid, belang, nauwkeurige middelen en termijnen zijn even belangrijk als de inhoudelijke grief. Schorsing blijft uitzonderlijk en vereist normaal zowel een ernstig middel als concreet bewezen, moeilijk herstelbaar ernstig nadeel. De gekozen procedure bepaalt bovendien het effect: tijdelijke buitenwerkingstelling, retroactieve vernietiging met mogelijke gevolgenhandhaving, of een bindend antwoord op een prejudiciële vraag.
Bronnen
This article provides general legal information, not advice for a specific matter. Laws, facts and procedural deadlines may change the result. Follow the linked primary sources and obtain local advice before acting.